slide_3

Sterrenkindje

De aardappeleters

Het was maandag. Voor mij zomaar een maandag, voor anderen misschien wéér een maandag.
Voor de boeren uit onze omgeving Oogstmaandag.

Wij wonen in een klein dorp. Midden in de Randstad met nog maar net 3000 inwoners. De meesten zijn er geboren en getogen. Kennen bijna iedereen, inclusief hun bijnamen van vroeger. ‘Jan Poepie’ (laat zich wel raden waaraan hij zijn naam te danken heeft) ‘Kromme Nelis’ en ‘Schele Lammert’ zijn grootheden uit onze vaderlandse dorpsgeschiedenis.
We wonen in de laatste straat van het dorp. Negen jaar geleden stonden hier nog kassen. We wonen aan het water en kijken vrij uit over weilanden. Vanaf het dakterras kijk je kilometers ver het land in.

Vroeger was er sprake van een duidelijke structuur in het dorp. Er waren twee bakkers, twee slagers, twee supermarkten en twee woningstoffeerders. Van alles twee. Eén voor de gereformeerde en één voor de hervormde klanten. Al was de supermarkteigenaar dan niet persé een christen, toch ging hij naar de kerk. Voor de klandizie, dat wist iedereen. Deze winkels konden hun bestaansrecht niet handhaven, mede door de komst van een derde kerk. Een groep mensen die zich niet bij de PKN wilde aansluiten en een eigen beweging is gestart. Het dorpshuis, wat nooit open mocht voor zondagse activiteiten, is nu de locatie geworden waar de samenkomsten van de derde kerk plaats vinden. De ‘grote kerk’ is de naam die de hervormden zichzelf geven, verwijzend naar de monumentale locatie. De gereformeerden noemen zichzelf ook de ‘grote kerk’ omdat zij de meeste leden tellen. Verdeeldheid heeft zich meester gemaakt over een eens zo ogenschijnlijk rustig dorp.

Deze oogstmaandag was er een hoop bedrijvigheid op het meestal zo stille weiland achter ons huis. Vanuit mijn atelier zag ik drie tractoren de aardappels binnen halen. Gevolgd door honderden meeuwen die zichzelf tegoed deden aan een gratis maaltijd pieren. Vers van de grond. Nog voordat de laatste tractor klaar was, kwamen de eerste fietsers op het achterpad met grote boodschappentassen aan hun stuur. Ik betrapte mezelf op een licht vooroordeel. Nog nooit had ik deze mensen op het achterpad gezien, maar nu er wat te halen viel…

’s Middags ging ik met mijn vriendin onze honden uitlaten op het achterpad. Het omgeploegde land was één grote Efteling voor haar labrador en mijn kruising bordeauxdog/herder. ‘Wist jij’, legde ik mijn vriendin uit, ‘dat het vroeger in de bijbelse wetten zo geregeld was, dat alle oogst op de hoeken en langs de randen van een omgeploegd land moest blijven liggen voor de reizigers en armlastigen? Zij mochten dan vrijelijk hun voedsel van het land nemen, zonder schuldgevoel’. Voor mijn vriendin was dit iets nieuws. Zij is als katholiek niet zo met de bijbel opgevoed, komt uit een gezin met vier broers boven haar, maar heeft het geloof aan de kant geschoven toen haar broer verongelukte op een treinovergang. Begrijpelijk. Mijn hond deed zichzelf overmatig tegoed aan de verse achtergebleven aardappeltjes. Terwijl we het land doorkruisten en onze honden lieten uitrazen zag ik de ene na de andere aardappel voor me liggen. Ik begon te rapen. Een soort oergevoel maakte zich van mij meester. Terwijl ik me die middag nog had verbaasd over de raapzuchtigheid van anderen, bukte ik nu elke keer opnieuw zodra ik een mooie aardappel zag. Hoe vers kon je ze op je bord hebben…? Al wandelend vertelde ik mijn vriendin nog dat er binnenkort een ‘Dankdag voor het gewas’ zou volgen. De mensen danken dan voor de oogst en na een soort zegening komen de aardappels pas in de winkels te liggen. Met uitpuilende jaszakken en enige gène liepen we naar huis. Ik had toch maar mooi een maaltje of vier bij elkaar gesprokkeld.

We zouden aardappels eten die avond, zó uit de grond. Verser dan vers. Mijn man kwam veel later thuis dan gepland. De ‘ongezegende’ aardappels waren in de pan in elkaar gestort en vormden nu een natte kwakachtige plak op de bodem. De hond had al drie keer overgegeven op weg naar de voordeur, nog net op de harige deurmat waar alles toch al zo moeilijk van af te halen is. Die avond vulde ik mijn maag met een gehaktbal, groente en een grote portie schuldgevoel.

s’Avonds las ik op de site van uitvaartbranche.nl de oproep om als doodgraver in de uitvaart  mee te doen aan de Nationale Bijbeltest. Grote kennis van de Bijbel hoef je niet te hebben… las ik met een glimlach. Zoveel kennis heb ik ook nog niet. Volgend jaar staan er misschien weer spruiten of korenaren op het land. Ik loop dan wel een blokje om.

Mari Jonker
Augustus 2008

Deze column is gepubliceerd op www.uitvaart.nl, www.uitvaartbranche.nl en www.groeneuitvaart.nl